Soms zit de grote wereldproblematiek verscholen in iets kleins. In mijn geval: twee millimeter afgebroken plastic. Dat was alles wat nodig was om mijn degelijke, nog geen vijf jaar oude stofzuiger - een exemplaar uit de categorie “investeer‑in‑kwaliteit‑dan‑gaat‑het‑langer‑mee” - volledig onbruikbaar te maken. Eén te enthousiaste beweging terwijl ik al stofzuigend door het huis dartelde, en hop: de koppeling tussen slang en toestel brak af. Zoiets waar je normaal om vloekt, een nieuw onderdeel bestelt, en weer verder gaat met je leven.
Maar zo werkt het dus niet meer.
Een defecte stofzuiger is bij ons thuis een kleine huishoudelijke ramp. Dus haastte ik me, hoopvol, naar de elektrowinkel die net die week groot uitpakte met een grote banner: REPAIR WEEK. Wat fijn dat de retailer dit ter harte neemt, dacht ik. Alleen bleek “week” een nogal rekbaar begrip. De reparateur was maar een paar uur aanwezig geweest, eerder die week. Pech dus.
Goed, dan maar een vervangonderdeel bestellen. De vriendelijke winkelbediende zocht geduldig, klikte zich door schermen en lijsten, tot ze met een spijtige blik opkeek: “Dat onderdeel bestaat niet meer.”
Mijn stofzuiger - perfect werkend op twee millimeter na - werd ter plekke uitgeroepen tot economisch totaalverlies. En toen kwam dat zinnetje dat meals bewuste consument deed krimpen, dat ik al voelde aankomen maar niet wilde horen: “Een nieuw toestel kopen zal goedkoper zijn, mevrouw.”
Mijn frustratie en teleurstelling moeten zichtbaar zijn geweest, want ze voegde er nog aan toe: “Binnenkort verandert dit. Er komt een nieuwe wet die toestellen repareerbaarder moet maken. Maar voorlopig… tja, proberen fabrikanten vooral nog zoveel mogelijk te verkopen.”
Ik zag geen uitweg. Met een huishouden van vijf kun je niet weken wachten op een wonder. Dus kocht ik - met lichte koppigheid - een ander merk. En reed ik naar huis met een nieuwe stofzuiger én het nare gevoel dat je ondanks duurzame intenties in een systeem zit dat je telkens weer richting wegwerp duwt. Dit klopte niet, niet voor mij, niet voor mijn portemonnee, en al helemaal niet voor de planeet.
Maar toch kende dit verhaal nog een happy end. Een vriendelijke dorpsgenoot –ja, daarmee praat je al eens over de kinderen, over politiek, en ja, ook soms over stofzuigers – kwam met de ideale oplossing: hij wilde het ontbrekende onderdeel wel even voor me 3D‑printen. En ja, mijn oude stofzuiger zoog weer alsof er nooit iets gebeurd was.
De vraag die blijft hangen: Waarom kan een dorpsgenoot me wel deze service bieden, maar de fabrikant of de retailer niet? We kennen het antwoord – al had ik voor de reparatie ook graag betaald. Misschien verandert dat binnenkort. Met wetten die repareerbaarheid verplichten, onderdelen beschikbaar moeten blijven, en apparaten niet afhankelijk mogen zijn van één fragiel stukje plastic.
Hopelijk zorgt de nieuwe ESPR‑regelgeving er straks voor dat “repareren” niet langer een marketinggimmick is, maar de standaard.
En tot die dag? Reken ik op mijn dorpsgenoot, zijn 3D‑printer, en de stille kracht van praktische goedheid.
Saartje Boutsen
Co-founder Studio D